Muziek

Muziek

De capoeira-muziek wordt gevormd door instrumenten, handengeklap en zang. De zang bestaat uit een solo, en een refrein dat door de capoeiristas wordt herhaald. De muziek, oud en nieuw, vertelt over de geschiedenis van capoeira en zijn mestres, over het spel, het leven en de liefde. Er worden veel bestaande liederen gebruikt, maar vaak ook wordt er terplekke een lied geïmproviseerd over iets wat op dat moment plaatsvindt.

De instrumenten die traditioneel worden gebruikt voor het orkest zijn: Berimbau, Caxixi, Atabaque, Pandeiro en Agogô.

Berimbau


Percussie-instrumenten in de meest uiteenlopende soorten worden soms toegepast in jazz-, pop- en folkloremuziek. Zo ook de berimbau, de Braziliaanse muziekboog met kalebasresonator, die oorspronkelijk uit Angola komt. De berimbau is hét instrument van de capoeira.

Het is een stijlvol instrument met zijn doordringende grondtoon. Op een stok van biribahout is een stalen snaar (‘corda’) gespannen. Een resonator, een half-open kalebas (‘cabaça’), zit vrij strak met een touwtje om stok en snaar heen gebonden. De stok wordt in een hand vlak voor het lichaam gehouden. Nu kan men tijdens het spelen de opening van de kalebas met een beweging van de stok sluiten door hem tegen de buik te drukken en weer openen door hem van de buik weg te bewegen. Hierdoor ontstaat het zo karakteristieke ‘wah-wah’-geluid. De snaar wordt aangeslagen met een dunne houten stok, de ‘baqueta’. In de hand, die de baqueta bedient, wordt een 'caxixi' gehouden, die de klank van de berimbau begeleidt.
Een zeer behendige speler kan met een munt of een platte steen tussen duim en wijsvinger van de hand die de boog vasthoudt, de snaar inkorten, zodat er behalve de basistoon een tweede toon ontstaat met een interval die ligt rond de grote secunde. Op Wikipedia staat een aardige lijst van Capoeira Toques zoals ze gespeeld worden.
De berimbau moet na het spelen ‘ontspannen’ worden door de stalen snaar los te maken, zodat de boog zijn buigzaamheid behoudt.

Caxixi


De caxixi wordt oorspronkelijk door een berimbauspeler gebruikt. Maar musici zoals Airto Moreira hebben zich losgemaakt van de traditionele manier van spelen en nieuwe speeltechnieken ontwikkeld.

De caxixi is een gevlochten mandje met hengsel. Een gebogen stuk kalebas dient als bodem en houdt de vulling van kleine zaadkorrels binnen. Een caxixi heeft verschillende soundschakeringen, afhankelijk van hoe het instrument gehanteerd wordt. Men houdt het mandje in de rechterhand met de kalebasbodem naar benenden. Als de caxixi nu naar linksonder wordt bewogen raakt de vulling de kalebasbodem met een droge, scherpe klank. Wordt het instrument snel naar rechtsboven bewogen, dan raken de korrels het riet van het bovenste deel en is het klankbeeld zachter. Door verschillende bewegingen te maken kan men de twee sounds tot een groot aantal ritmische figuren combineren.

De caxixi wordt altijd samen met de berimbau gebruikt.

Atabaque


De atabaque is een van oorsprong Afrikaanse langwerpige houten trommel met wigspansysteem. De Braziliaanse atabaque kent drie modellen. De ‘le’ is de kleinste, de ‘rum’ de middelste en de ‘rumpi’ de grootste. Net als in Cuba worden hier ook drie trommels gecombineerd tot een trommelset die bij rituele feesten in Brazilië, de Candomblé, wordt gebruikt. Bij het samenspel van de drie trommels ontstaan ritmische patronen ('toques'), die opgedragen zijn aan de verschillende goden (Orisha’s). De atabaques worden gemaakt volgens de traditionele vatbouwwijze. Voor het spannen van de vellen wordt een koord-/wigsysteem gebruikt of een spanmechaniek. Kenmerkend voor deze trommelsoort is de doorsnee van het vel: klein in verhouding tot de Cubaanse conga. De atabaques worden met de handen of met een stok bespeeld. Door het formaat van de trommel kan zij ook staand bespeeld worden.

Binnen de ‘roda’ van capoeira wordt één atabaque gebruikt, dit is de ‘rum’ (de medium). Begeleidt de basis van de berimbau- ‘gunga’, en maakt daar een aantal variaties op. Binnen capoeira wordt de traditionele atabaque gebruikt (dwz gemaakt van hout, koord en een vel van leer).

Pandeiro


Het waarschijnlijk populairste instrument van Brazilië, de pandeiro is behalve bij de samba ook in veel andere Braziliaanse ritmes te beluisteren. Zo wordt ze bij de capoeira, in de Forro en de Frevo bespeeld. Deze beltrom, die oorspronkelijk uit Arabische gebieden afkomstig is, daarna met de Moren naar Portugal kwam en tenslotte in Brazilië belandde, heeft ook in het westerse culturele landschap aandacht getrokken. De pandeiro is in zijn basisvorm een eenvoudige lijsttrommel, in de houten ring waarvan telkens paarsgewijs smalle blikken schijfjes zijn opgenomen. Deze zorgen voor de karakteristieke klank van dit instrument. De klank van de schelletjes wordt bepaald door hun vorm. Buikvormige schijfjes hebben een drogere en rondere klank. Als men een bijzonder droge klank wil voortbrengen, kan men tussen de houten omlijsting en de blikken schijfjes een stukje golfkarton vastklemmen, zodat de schijfjes minder speelruimte hebben.

De spanpennetjes die het vel (dierlijk of van kunststof) op de lijst vasthouden, zitten op eenvoudig gevormde spanblokjes bevestigd. Wanneer de typische pandeiroslagen zoals duimslagen, slagen met de bal van de hand, fingertips en slaps, op de juiste manier worden gecombineerd, laten ze meeslepende ritmes horen.

De pandeiro is een instrument dat altijd heeft deelgenomen aan de orkestbezetting. Hij begeleidt de basis van alle ritmes, waarop hij tevens variaties maakt. Volgens traditie is de pandeiro die voor capoeira gebruikt wordt gemaakt van hout met een vel van leer.

Agogô

Zwarte ijzeren bellen worden vooral in Afrikaanse muziek bespeelt zoals in Togo, Kameroen, Nigeria en de Kongo.
De dubbele bel dankt zijn naam aan de Yoruba’s. Met de Bantoes (waar het instrument ‘ngonge’ heet, wat zoveel als tijd en eerbied betekende) en de Yoruba’s en hun Afrikaanse cultuur zijn ze meegekomen naar het Caraïbische gebied en Brazilië. De agogo vinden we terug bij de Braziliaanse Candomblé-cultus maar hij wordt ook in de Braziliaanse straatsamba bespeeld. De bel kenmerkt zich door een open, heldere klank, rijk aan boventonen. De agogo is meestal gestemd in intervallen van een terts, een kwart of een kwint en komt voor in allerlei uitvoeringen. In de Braziliaanse muziek wordt gewerkt met de speciale speeltechniek van de ‘clicksounds’: de bellen worden met de linkerhand kort tegen elkaar gedrukt, waarbij de greep als een veer werkt die de bellen weer in de oorspronkelijke positie terugbrengt.

Het gebruik van de agogo binnen de capoeira komt voort uit de Candomblé en samba. Ookal wordt tegenwoordig de agogo niet meer veel gebruikt, maakt dit instrument wel deel uit van de oorspronkelijke orkestbezetting.